Tijdens het ASCO Genitourinary Cancers Symposium 2026 was de presentatie van de KEYNOTE-B15/EV-304-studie het belangrijkste nieuws voor de behandeling van blaaskanker. Dr. Britt Suelmann had ook niet anders verwacht van de combinatie van enfortumab vedotin en pembrolizumab in de neoadjuvante setting, na eerdere spectaculaire resultaten bij gemetastaseerde ziekte. Maar dat betekent niet dat deze studiebehandeling meteen geschikt is voor de klinische praktijk.
De patiënten die in de studie behandeld zijn met enfortumab vedotin en pembrolizumab (EV+P) hadden na vier kuren 20 procent meer kans op een pathologische complete respons (pCR) vergeleken met de controlegroep die behandeld werd met gemcitabine en cisplatin. ‘Dat is een heel goed teken, dat zich op den duur wel moet vertalen in een betere overleving’, zegt Suelmann. Maar het bereiken van een pCR kan ook inhouden dat vervolgbehandelingen (als adjuvante therapie met EV+P) misschien niet altijd nodig zijn. Daarnaast rijst de vraag of een operatie van de blaas (radicale cystectomie) wel de gewenste behandeling is bij het bereiken van een pCR. ‘Moeten deze patiënten wel hun blaas inleveren, of kunnen we een lokale behandeling zoals bestraling overwegen? Of kunnen we beter selecteren wie welke behandeling nodig heeft na een succesvolle respons op EV+P? We hoeven niet altijd het grofste geschut in te zetten als een patiënt dat niet nodig heeft.’ Hetzelfde geldt voor de vier neoadjuvante kuren EV+P die nu beschreven worden in deze studie. ‘Zijn vier kuren daadwerkelijk noodzakelijk of kunnen we ook met bijvoorbeeld drie kuren EV+P een voldoende respons bereiken, zoals ook het schema van onder andere de EV303-studie?’
STUDIES IN DE STARTBLOKKEN
Voor Suelmann is het dus van belang om verder uit te zoeken hoe het toekomstige behandeltraject voor blaaskankerpatiënten eruit zou kunnen gaan zien voordat deze studieresultaten worden overgenomen. Studies daarvoor staan al in de startblokken. Ze zoomen in op twee aspecten: beeldvorming en analyse van circulerend tumor-DNA (ctDNA) en urinetumor-DNA (utDNA). Suelmann: ‘Wij willen in aankomende studies gaan kijken of we de diagnostiek van de blaas ter beoordeling van de respons op neoadjuvante therapieën kunnen verbeteren, om beter te kunnen nagaan of de patiënt een complete respons heeft bereikt na neoadjuvante EV+P, of dat er nog residuale ziekte is.’ Een tweede ingang voor de voorspelling van de respons op neoadjuvante behandeling of de kans op recidief is de analyse van tumor-DNA in bloed en urine: uit andere studies lijkt circulerend tumor-DNA beter afstandsmetastasen te voorspellen en tumor-DNA in urine lokale recidieven.

