Er werden dit jaar op ESMO Congress 2025 veel resultaten gepresenteerd van fase III-studies op het gebied van maag- en oesofaguscarcinoom. De meest interessante studies gingen over nieuwe immuuntherapie of verbeteringen van bestaande immuuntherapie. Dr. Sarah Derks bespreekt de meest opvallende ontwikkelingen.
‘Niet alle studies waren positief’, vertelt Sarah Derks na afloop van het congres. ‘Maar ook negatieve studies dragen bij aan het oplossen van de puzzel hoe we patiënten het beste kunnen behandelen.’ Ze begint dan ook met een volgens haar interessante negatieve studie, PERSIOCOPE II, waarin hypertherme intraperitoneale chemotherapie (HIPEC) onderzocht werd bij maagkanker.1 De verwachtingen van deze studie waren hooggespannen. ‘We weten dat HIPEC bij colorectaal carcinoom goed kan werken en daarom was de gedachte dat dit ook bij maagkanker het geval zou zijn. In deze studie werden patiënten geïncludeerd met een gemetastaseerd maagcarcinoom met minder dan zeven peritoneale metastases. Deze groep heeft een relatief goede prognose en de gedachte was dat chemotherapie gevolgd door maagresectie, cytoreductieve chirurgie en HIPEC tot een betere overleving zou kunnen leiden dan standaard palliatieve chemotherapie. Maar deze studie is voortijdig gesloten omdat de behandeling geen voordeel voor patiënten liet zien. Een belangrijk inzicht, omdat patiënten vaak vragen naar deze in opzet curatieve behandeling, die soms in het buitenland wel wordt aangeboden.’
DURVALUMAB
Een studie die wel overlevingswinst laat zien is MATTERHORN. Daarin is bij patiënten met een adenocarcinoom van de maag of gastro-oesofageale overgang (GEJ) gekeken of immuuntherapie een waardevolle bijdrage levert als deze wordt toegevoegd aan de standaardbehandeling met FLOT (5-fluorouracil, leucovorine, oxaliplatine en docetaxel). Patiënten kregen perioperatief FLOT of FLOT met durvalumab tot een jaar na de operatie.2 De toevoeging van durvalumab bleek een duidelijke overlevingswinst te geven. De 3-jaars-overleving was 68,6 procent versus 61,9 procent met een hazard ratio van 0,78. ‘De commissie BOM noemt een toename van de 3-jaarsoverleving met meer dan 5 procent relevant, dus dit resultaat valt binnen hun criterium’, aldus Derks. Ze plaatst wel een kanttekening: ‘Als je naar subgroepen kijkt, dan blijkt dat vrouwelijke patiënten veel minder profiteren van de perioperatieve behandeling met durvalumab en lijken patiënten met klierpositiviteit en patiënten met een diffuus maagcarcinoom er helemaal geen baat bij te hebben. De studie is niet gepowerd op subgroepanalyses, maar dit zijn wel aanwijzingen om hier nog eens goed naar te kijken.’ Derks noemt het ook opvallend dat het in deze studie niet gelukt is om bij alle patiënten de MSI-status is bepalen. ‘Er is wel naar PD-L1 TAP-score (Tumor Area Positivity) gekeken en die biomarker bleek niet van invloed op het resultaat. Maar we weten dat een hoge microsatellietinstabiliteit vaak een goede biomarker is voor de reactie op immuuntherapie, dus is het echt een gemiste kans om de MSI-status niet mee te nemen.’




